Dordrecht, stad aan het water.
(Speel hier het "havenspel".)

We gaan het in dit stukje hebben over de geschiedenis van Dordrecht. We ontdekken hoe Dordrecht is ontstaan. We leren wat voor een invloed de Elizabethsvloed op onze stad heeft gehad. We kijken naar Dordtse markten, naar Dordtse regels, gilden, etc. Ook kijken we naar de eetgewoonten van de Dordtse middeleeuwers. Samengevat, hoe leefden de mensen vroeger in Dordrecht en hoe verdienden ze hun geld.

De geschiedenis van Dordrecht moet toen in de elfde eeuw na Christus zijn begonnen. Op de plaats waar nu Dordrecht gevestigd is, leefden eerst eenvoudige mensen in huisjes van hout en riet. Zij leefden in het bijzonder van de visserij! Ergens langs wat nu de Wijnhaven is, hebben zich de eerste Dordtenaren gevestigd, die zich bezighielden met het ontginnen van het enorme veenmoeras dat Dordrecht in die tijd was.

Ook het maken van brandbaar materiaal uit veen, leverde goed geld op. Het was hard werken, maar ook de allerarmsten konden zo een klein "loontje" bij elkaar scharrelen.

Een andere werkzaamheid uit die tijd was het zogenaamde darinck delven, middeleeuws zout uit het Dordtse slib en klei halen.
Opdracht 1: Noem drie "beroepen" waarmee de eerste "bewoners van Dordrecht" hun geld konden verdienen!
De groei van Dordrecht.

(Voor een grote versie van bovenstaande plattegrond, hier
klikken)
In het oudste deel van de stad Dordrecht stroomde vroeger het riviertje de Thuredrecht. Rond dat riviertje ontstond een kleine nederzetting. Door het toenemen van de welvaart was het voor de mensen niet langer noodzakelijk om van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat op het land of water te werken. Ze hadden meer tijd om allerlei gebruiksvoorwerpen (als schoenen, kleding, meubels) te maken. Sommige mensen werden daar zo handig in dat ze zich nog uitsluitend met dit werk bezig hielden. Ze werden smid, schoenmaker, timmerman, wever, etc. De nederzetting groeide en groeide.

(Voor een grote kaart, hier
klikken)
Overal kwamen mensen bij elkaar op markten, waar men producten uitwisselde. Kooplieden dreven handel tussen marktplaatsen, en overal nam de welvaart nog meer toe! In de kleine nederzetting tussen de rivieren werden de mensen ook rijker, en over deze rivieren kwamen steeds meer bezoekers naar het dorpje om de markt te bezoeken.

(Voor een grote kaart, hier
klikken)
Door de ligging aan een kruispunt van waterwegen nam Dordrecht in de middeleeuwen een belangrijke plaats in onder de handelssteden van ons land.

(Ook van deze plattegrond is een grote
versie, hier klikken)
Opdracht 2: Vertel in eigen woorden hoe Dordrecht van een kleine nederzetting tot een grotere plaats kon uitgroeien. Gebruik hierbij de woorden: beroepen, markten en "gunstige ligging".
De “economie” van Dordrecht.
Volgens overleveringen is Dordrecht kort na het jaar 1000 gesticht door Graaf Dirk III, dit wordt door anderen echter weer tegengesproken. Maar hoe het ook zij, de graven uit die tijd wilden geld verdienen aan de handel die via de rivieren plaatsvond, en men besloot aan de Thuredrecht een tol te plaatsen. Alle schepen die Dordrecht passeerden moesten bij deze tol geld betalen. Verder moesten de schepen die langs voeren hun goederen op de Dordtse markt aanbieden. In ruil ontvingen de kooplieden en de boeren een vrijgeleide, dus bescherming om hun goederen veilig te kunnen vervoeren of te verhandelen op de Dordtse markten.

En al snel groeide het kleine dorpje nog meer dan het al deed. Want door deze privileges kreeg de handel op en rond de rivieroevers en kaden een enorme impuls, zodat al in de middeleeuwen vele kooplieden zich in Dordrecht vestigden. De vele herenhuizen en de pakhuizen op de kaden met namen als: Hooikade, Wolwevershaven, Pottenkade, Wijnhaven zijn overgebleven uit die tijd.

Onderdelen van dit schilderij zijn groter te bekijken. Klik hier voor links, hier voor midden en hier voor rechts.
In 1220 vroegen de bewoners aan de graaf van Holland het recht om de stad zelf te mogen besturen. Sindsdien heeft Dordrecht stadsrechten. Daardoor kon Dordrecht zich ontwikkelen tot een van de belangrijkste handelssteden van Holland! De dertiende en veertiende eeuw staan in het teken van voorspoed.

Opdracht 3: Lees de tekst hierboven en verbind de juiste begrippen!
| 1) Tol betalen. | 1) Dirk III. | |
| 2) 1220 N.C. | 2) Thuredrecht. | |
| 3) Kooplieden. | 3) Stadsrechten. | |
| 4) Dordrecht. | 4) Pakhuizen. | |
| 5) 1000 N.C. | 5) Markten. |
Kerken & kloosters.
In deze tijd groeide de stad snel, er werden zelfs verschillende kloosters gebouwd. Tussen de Vriesestraat en de Visstraat bouwde men rond 1250 het klooster van de Minderbroeders. En rond 1282 werd het Augustijnenklooster gesticht dat we thans geheel nagebouwd in het themapark Archeon kunnen bewonderen.

Op de plaats waar nu de Grote Kerk staat, heeft vanaf het midden van de elfde eeuw tot omstreeks 1280 een eenvoudige kapel gestaan. Hierna werd een grotere kerk gebouwd die in de 14e eeuw vervangen werd door het tegenwoordige kerkgebouw. Tijdens een stadsbrand in 1457 werd de kerk zwaar beschadigd, maar weer snel opgebouwd. De toren van de Grote Kerk werd in de 14e en 15e eeuw gebouwd, maar vanwege verzakking nooit voltooid. De toren van de Grote Kerk werd in de 14e eeuw gefundeerd, maar vanwege verzakking nooit voltooid. In 1293 begon de bouw van de van het Augustijnenklooster. Omstreeks 1450 is de Augustijnenkerk kerk vernieuwd en vergroot. Het is nu een van de fraaiste kerken van Nederland. (naar onze mening)

(Leuk om te weten. Dordrecht had vanaf 1290 een school
bij de Grote Kerk voor jongens van 7 tot 14 jaar. Hier leerden zij lezen, schrijven,
wiskunde, Latijn en zingen. Op 21 december werd "sluitertjesdag" gevierd.
De meesters werden buitengesloten en mochten pas weer de school in wanneer ze
de jongens een paar dagen vrij hadden beloofd.)

(Kijk hier voor
een blik in de grote kerk, en hier
voor een buitenlandse tekening van het inwendige van onze kerk.)
Opdracht 4: Goed of fout,
1) In Dordrecht was het geloof erg belangrijk.
2) Er heeft in Dordrecht maar 1 klooster gestaan!
3) De Augustijnenkerk is een van de oudste kerken van Nederland.
4) De toren van de Grote Kerk werd afgebouwd maar in de 2e wereldoorlog weer
verwoest.
5) Stuitertjesdag moet eigenlijk ook op onze school gevierd worden.
Dordrecht havenstad.
In de Munt sloegen Dordtse munters vanaf 1367 gedurende 4½ eeuw (tot 1806) het Hollandse geld, waaronder de eerste guldens.


In het midden van de stad, waar nu het Scheffersplein is, lag de grafelijke tol. Er werd geld gewisseld, goederen gewogen, gemeten en natuurlijk verkocht. De kooplieden in de stad verdienden veel geld met de handel in wijn, hout, laken en graan. Daarmee lieten ze stenen huizen bouwen: een nieuw fenomeen in die tijd want de enige gebouwen van steen waren tot dat moment de Grote Kerk, de tolbrugtoren en de herberg van de graaf. (Het Huis Henegouwen)

De Thuredrecht was ondertussen geen riviertje meer, maar een echte haven met veel pakhuizen geworden. Die haven is nu de “Oude of Voorstraatshaven”. De stad werd als het ware bewaakt op het "Groothoofd", bij de beroemde poort!

(Klik
hier voor een oude foto van deze poort!)
Opdracht 5: Wat hoort waar? Zet de volgende
woorden bij de juiste plaatsen in Dordrecht: 1367, pakhuizen, poort van Dordrecht,
grafelijke tol, stenen gebouw, geld maken.
A) De Munt:
B) Het Scheffersplein:
C) De Grote Kerk:
D) De Voorstraatshaven:
E) Het Groothoofd:
In het begin van de 15e eeuw (1418) werd Dordrecht belegerd door troepen van Jacoba van Beieren. Maar de stad kon door Jan van Brabant (de echtgenoot van Jacoba) niet veroverd worden. Door deze oorlog werd er in de stad slecht geregeerd. Vooral het onderhoud aan de belangrijke dijken van Dordrecht werd verwaarloosd. Daarbij kwam ook dat men zout ging opgraven (darinck delven) vlak bij de dijken en soms er pal naast.

(Voor een grote versie van het darinck delven, klik
hier)
De dijken werden hierdoor ondermijnd! In de nacht van 17 op 18 november 1421 gebeurde het onvermijdelijke, tijdens een flinke storm braken de dijken door!

Dordrecht bleef gespaard, maar tientallen dorpen rondom de stad verdwenen in de golven van deze Elizabethsvloed (Zo genoemd omdat de ramp zich voltrok op de naamdag van de heilige Elisabeth). Een van de dorpen die nog steeds bestaat, zij het als een aparte wijk van Dordrecht, is Dubbeldam.

(Voor een grote kaart van Dubbeldam, hier
klikken)
Duizenden mensen kwamen hierbij om het leven en het duurde eeuwen voordat de binnenzee die toen ontstond weer was ingedijkt. Aan de andere kant levert het ook een mooi stukje natuur op: de Hollandse Biesbosch aan de zuidzijde van de stad. Maar de ontreddering en schade moet groot zijn geweest. Veel mensen verloren hun leven of hun middelen van bestaan en vervielen tot diepe armoede of tot de misdaad.

Hieronder een schilderij over deze periode. Duidelijk zichtbaar zijn: de Grote
Kerk, de Vuilpoort, de Tolbrugstoren en de Nieuwe Kerk. Verder zie je verschillende
mensen die zichzelf en hun vee en goederen in veiligheid proberen te brengen.

Van het linkerpaneel is momenteel een vergrote versie uit het Rijksmuseum beschikbaar,
klik hier! Maar
voor het gemak heb ik hier een
compleet plaatje!
Opdracht 6: Lees de bovenstaande tekst
en geef de juiste oorzaken van de grote overstroming.
1) Slecht onderhoud aan de dijken.
2) Mensen hadden toen geen verstand van dijken bouwen.
3) Dijken werden "ondergraven" door zoutwinning.
4) Geld geven aan de Kerk vond men veel belangrijker.
5) In de nacht van 17 op 18 november 1421 stormde het.
6) Teveel mensen woonden in veel te slechte huisjes!
Een legende.
“Op de grote watervlakte dobberde een wieg met een kind en een kat. Steeds dreigde het wiegje om te slaan door de golven. Gelukkig slaagde de kat er iedere keer weer in de wieg in evenwicht te houden door van de ene kant van het mandje naar de andere kant te springen. Hoelang het wiegje zo rond gedobberd heeft, is niet bekend. Tenslotte spoelde het in Dordrecht aan. Het kind, een meisje, werd opgenomen in een gezin die haar Beatrix noemde en waar ze gelukkig opgroeide.”
(Uit “Dordrecht: het dagelijkse leven in een middeleeuwse stad”. Dordrecht 1997)

De stadsbrand van 1457.
Een grote brand die de stad zes dagen teisterde legde in 1457 veel houten huizen en ook een deel van de Grote Kerk in de as. Het vuur begon waarschijnlijk ergens in de Kleine Spuistraat en meer dan 600 huizen brandden af! Grote armoede kwam over de stad en omdat de vele rieten daken het blussen bijna onmogelijk maakten kwam het stadsbestuur met nieuwe regels, men noemde deze regels toen “keuren”.

Uit een keur van 1434. Niemand mag in Dordrecht een dak van tegels of leisteen vervangen door een dak van stro of riet. Wie dit toch gedaan heeft moet voor Pasen het dak opnieuw laten bedekken.
Uit een keur van 1457. Om voortaan brand te voorkomen mogen de rietdekkers in de stad Dordrecht nergens meer rieten daken leggen.
Uit een keur van 1457. Om de rietdekkers de gelegenheid te geven een nieuw ambacht te leren, ontvangt ieder van hen een uitkering van 100 stuivers.
Uit een keur van 1458. In de as van de Grote Kerk werd een splinter gevonden van het kruis van Christus. Om dit te vieren wordt jaarlijks een processie gehouden waar alle gilden aan mee moeten doen.
Uit het bovenstaande blijkt wel dat het stadsbestuur de rieten daken en houten huizen zoveel mogelijk wilde vervangen door minder brandbaar materiaal. Het “gilde” van de rietdekkers was hier natuurlijk niet voor! Maar na een ruime schadeloos stelling van 100 stuivers (een groot bedrag in deze tijd!) werd in overleg met het stadsbestuur rond 1457 het gilde der rietdekkers opgeheven!
Opdracht 7: Lees de bovenstaande vier wetten (keuren) door. Welke wet zou het beste helpen om brand in een stad te kunnen voorkomen? Leg je antwoord uit! (Bekijk hiervoor eerst deze tekeningen: 1...2...3)

In later tijd werd Dordrecht het centrum van de Reformatie. De provinciale synodes van de Gereformeerde Kerk in 1574 werd gehouden in het Augustijnenklooster. Nationale synodes vonden in Dordrecht plaats in 1578 in de Sint Jorisdoelen en in 1618-1619 in de Kloveniersdoelen. (In de refter van het voormalige Augustijnenklooster kwam de provinciale synode van 1574 samen. De nationale synode van 1578 vond plaats in de Sint Joris- of Grote Doelen (Steegoversloot) en de synode van 1618/19 kwam samen in de Kloveniersdoelen (Doelstraat).) De laatstgenoemde Nationale Synode leidt tot de uitgave van de Statenbijbel, een Bijbel (vanuit het Hebreeuws en Grieks vertaald) in de Nederlandse taal en de grondslag voor het moderne Nederlands. (De Statenbijbel was niet de eerste bijbel in de Nederlandse taal. Enkele bijbelvertalingen gingen hier al eerder aan vooraf, zoals de Vorstermanbijbel en de Delftse bijbel. De Statenbijbel was de eerste bijbel die vertaald werd vanuit de grondtalen Hebreeuws en Grieks.) Uit de verschillende "talen en dialecten" werd de schrijftaal van de Statenvertaling gekozen tot "ons hedendaagse Nederlands". (Voor enkele tekstcorrecties dank aan Herman A. van Duinen (redactie Oud-Dordrecht)

(Schutblad
van een oude Statenbijbel, voor een "on-line" Statenvertaling hier
klikken)
Hervormden uit heel Europa beslechtten hier bovendien hun godsdienstige en politieke ruzies. De calvinistische leer werd er vastgesteld en andere visies veroordeeld. In 1572 kwam te Dordrecht de eerste Vrije Statenvergadering in 't Hof bijeen.

Vertegenwoordigers van alle Hollandse steden erkennen prins Willem van Oranje en steunen de opstand tegen de Spaanse overheersers. Ze legden hiermee de basis voor de huidige Nederlandse staat.

Opdracht 8: Zelfs als je niet geloofd of een andere godsdienst hebt dan het Christendom is de Statenvertaling toch belangrijk geweest. Lees de tekst hierboven en leg uit waarom. Gebruik hierbij de woorden: talen, dialecten, en Nederlands.
Marktdag in Dordrecht.
Al voor dag en dauw worden de poorters gewekt door het oorverdovende geluid van de kuipers die de hoepels om de tonnen slaan. Hun lawaai kondigt de marktdag aan. In de stad heeft bijna iedereen haast om zijn waren op straat uit te stallen. De poorten gaan open en de boeren stromen de stad binnen. Dan kondigt klokgelui het begin van de markt aan.

De marktmeester loopt tussen de bedrijvigheid door en wijst alles en iedereen zijn vaste plaats. Hier de houten vaten, daar het aardewerk, de manden, kruiken en het ijzerwerk. De marktmeester ziet erop toe dat iedereen zich aan de strenge regels houdt. Er mag niet meer gekocht worden dan iemand zelf nodig heeft. Op marktdag mag niemand weigeren te verkopen. De lakenkopers, wantsnijders genoemd, moeten hun stallen tegelijk openen en sluiten. Zij moeten eerst hun beste stoffen laten zien. De korenkopers moeten de hele week tegen dezelfde prijs hun waren verkopen.

Gerij en geros, geloop en getier vult de nauwe straten. Luidkeels prijzen de marktkooplui hun waren aan. Een groep joelende kinderen rent door de straten. Snel gapt een jongen een appel en gooit daarbij de hele mand om. Hij rent hard weg terwijl de boze appelvrouw de weggerolde vruchten bij elkaar raapt. Er klinkt gekijf bij de stallen van de lakenkopers. Twee boerinnen hebben hun zinnen gezet op dezelfde el stof. Iets verderop hameren smeden en timmerlieden er lustig op los. Als de dag vordert wordt de stank in de stad bijna ondragelijk. Door de straten lopen open riolen, overal liggen hopen afval en mest De loslopende varkens wentelen zich behaaglijk in de poelen die in de ongeplaveide straten zijn ontstaan en doen zich tegoed aan het afval van de markt. Opnieuw klinkt klokgelui. De marktdag is ten einde. De boeren verlaten de stad. Bij het vallen van de avond sluiten de poortwachters de poorten en het wordt weer stil in de stad.

Nu de nacht valt wordt het aardedonker in de stad. Nog enkele lichtjes zwerven door de straten. Het zijnde lantaarns van de nachtwacht op zoek onraad en gespuis.
(Uit: Geschiedenis van Nederland. Amsterdam 1976)

(Schilderij van Albert Cuyp met Dordrecht op de achtergrond, voor een grotere
versie hier klikken!)
Opdracht 9: Lees de tekst hierboven de
vul de weggelaten woorden in:
De ... loopt tussen de bedrijvigheid door en wijst alles en iedereen
zijn vaste plaats. Op marktdag mag ... weigeren te verkopen. De lakenkopers,
... genoemd, moeten hun stallen tegelijk openen en sluiten. Zij moeten eerst
hun ... stoffen laten zien. De ... moeten de hele week tegen dezelfde prijs
hun waren verkopen. Luidkeels prijzen de ... hun waren aan. Er klinkt ... bij
de stallen van de lakenkopers. Twee ... hebben hun zinnen gezet op dezelfde
el stof. Iets verderop ... smeden en timmerlieden er lustig op los. Als de dag
... wordt de stank in de stad bijna ondragelijk. De loslopende ... wentelen
zich behaaglijk in de poelen die in de ongeplaveide straten zijn ontstaan en
doen zich tegoed aan het ... van de markt. De ... is ten einde. De boeren ...
de stad. Bij het vallen van de avond sluiten de ... de poorten en het wordt
weer stil in de stad.
Markten & jaarmarkten.
Winkels waren er eigenlijk nog niet, in de middeleeuwen werden de inkopen dus op de markt gedaan. Zij waren op vaste plaatsen en vaste dagen van de week. Zo waren er vrijdag de weekmarkt en de botermarkt. Op woensdag was de veemarkt tussen het Bagijnhof en de Steegoversloot.


Op dinsdag, donderdag en zaterdag de korenmarkt bij de Grote Kerk langs de Voorstraatshaven. Iedere dag waren er ook markten waar groenten en vis werden verkocht. Ook waren er jaarmarkten in de eerste week van mei en de eerste week van oktober. Van heinde en verre kwamen dan kooplieden en marskramers die gebruiksgoederen te koop aanboden. Tegelijkertijd met de jaarmarkt was er die week meestal kermis. Om de vrede op de markt te bewaren moesten de mensen dan wel hun messen thuis laten.

(Schilderij van een boerenkermis, grote versie hier
klikken)
Opdracht 10: Wanneer werden in Dordrecht
de volgende markten gehouden:
1) De weekmarkt:
2) De botermarkt:
3) De veemarkt:
4) De korenmarkt:
5) De groenten en vismarkten:
6) De jaarmarkt:
Het leven in de middeleeuwen was niet gemakkelijk. Je kon je huis verliezen door een brand, ziek worden (de pest kwam veel voor en werd de zwarte dood genoemd) of je land verliezen door een overstroming om maar een paar rampen te noemen. Om er daarna weer bovenop te komen viel niet mee want ver zekeringen bestonden niet. Daarom zochten de mensen in de middeleeuwen steun bij elkaar, in de kerk, het klooster of het gezin. Mensen met hetzelfde beroep onder- steunden elkaar ook, zij vormden een gilde. De eerste gilden waren verenigingen van kooplieden. Zij hadden een gevaarlijk beroep. Tijdens hun reizen werden ze regelmatig overvallen door rovers. Ook leidde de omgang met mensen uit vreemde streken met andere gewoonten en gebruiken nog al eens tot moeilijkheden.

(Gilde van de edelsmeden)
In navolging van de kooplieden verenigden ook de poorters (inwoners van de stad) die hetzelfde beroep uitoefenden zich in een gilde. Lid van het Gilde werd je niet zo maar. Daarvoor moest je eerst een opleiding van wel zeven jaar volgen. Op ongeveer twaalfjarige leeftijd begon je als leerling bij een meester. Je ouders betaalden daarvoor leergeld. Na een paar jaar werd je gezel en kreeg je loon. Pas als je de meesterproef had afgelegd mocht je lid van het gilde worden. Alleen meesters mochten een eigen bedrijf beginnen. Dit betekende niet een meester zelf kon beslissen hoe hij zijn bedrijf voerde, In tegendeel, door strenge regels bepaalde het gilde de kwaliteit, de prijs en de hoeveelheid van de goederen die geproduceerd werden. Ook bepaalde het gilde het aantal leerlingen en gezellen die een meester in dienst mocht nemen. Iemand die een bedrijf begon maar geen gildelid was, een beunhaas, werd streng bestraft.

Het gilde bood meer dan strenge regels. De leden steunden elkaar ook in moeilijke tijden. Als een meester dood ging dan zorgden de overige leden voor de weduwe en wezen. De vereniging gaf ook gezelligheid. Bijvoorbeeld op de naamdag van de beschermheilige. Gewoonlijk begon die dag met een processie, een plechtige optocht van priesters en andere hoogwaardigheidsbekleders om de beschermheilige van het gilde te eren. Daarna was het feest en deden de gildeleden zich te goed aan een uitgebreid maal en (te) veel drank. Een lijstje van gilden die rond 1487 in Dordrecht gevonden werden, zien we hieronder:

(Schuttersgilde)
Vleeschhouwersgilde, Houtkopersgilde, Wantsnijdersgilde (lakenverkopers), Mazelaarsgilde, Schippersgilde (het oude gilde), Groot Koopmansgilde (het groote gilde), Spoey- of Sledenaarsgilde (voor het verslepen van goederen), Tappersgilde, Riedijks- of Kleinschippersgilde, Bakkersgilde, Wolweversgilde, Chirurgijnsgilde, Huistimmerliedengilde, Kuipersgilde, Schrijnwerkersgilde, Metselaarsgilde, Kramersgilde, Vischkoopersgilde, Appelkoopersgilde, Mandenmakersgilde, Verversgilde, Schoenmakersgilde, Oude Schoenmakersgilde, Oude Kleerkoopersgilde, Bontwerkersgilde, Smedengilde, Goud- en Zilversmedengilde, Linnenweversgilde, Hoedenmakersgilde.
En verder de zogenaamde “Sint Lukasgilden”: De tinnengieters, de glazenmakers, de beeldenmakers, de aardenpottenmakers en de lantaarnmakers.
(Uit: Rekeningen van de gilden van Dordrecht 1438-1600.)

Opdracht 11: Schrijf in minimaal 60 en maximaal 100 woorden op wat je weet over de Dordtse Gilden.
Dat je goed moest eten om gezond te blijven wisten ze in de middeleeuwen net zo goed als wij. Maar wat gezond is, daar dachten ze heel anders over. Vet vond men bijvoorbeeld heel gezond. Vooral “reuzel” het vet van een varken. Vaak kocht men een biggetje om het (in of rond het huis) vet te mesten en daarna te slachten. Maar liever at men rundvlees of schapen en geitenvlees.

Water dronk men alleen als het niet anders kon. Water was in de steden veel te vies door al het afval dat erin terecht kwam. Het gewone volk dronk bier en rijke mensen dronken wijn. Zelfs melk, toch heel gezond, vonden de mensen in de middeleeuwen babyvoeding. Kaas werd wel veel en graag gegeten. Veel voedingsmiddelen die wij 2 tegenwoordig gewoon vinden waren in de middeleeuwen niet bekend. De aardappel werd pas na de ontdekking van Amerika bekend in Europa, evenals cacao, koffie en thee. Zelfs peper en suiker waren zeldzaam. Om eten zoet te maken werden honing en rozijnen gebruikt.

Toen de Italianen in de twaalfde eeuw van uit Venetië handel gingen drijven met Klein Azië kwamen kruiden uit het Oosten met mondjesmaat via de handelsroutes in de Nederlanden terecht. Maar rietsuiker, gember, foelie, nootmuskaat, kaneel en peper waren erg kostbaar en alleen mensen met veel geld konden dat betalen. In Holland werden tuinkruiden verbouwd zoals peterselie, bieslook, dille, uien en knoflook. Ze werden niet alleen gebruikt in het eten maar ook om geneesmiddelen mee te bereiden. Die werden gemaakt en verkocht door de apotheker.

Andersom, wat wij een delicatesse vinden, vonden de mensen in de middeleeuwen heel gewoon. In de wateren rondom Dordrecht wemelde het van de vis. Zalm en haring waren goedkoop en werden veel gegeten. Het gildehuis van de viskopers is nog altijd te vinden in Dordrecht. Het is nu een café-restaurant in de Visstraat. Het menu werd bovendien regelmatig aangevuld met wild; fazanten, patrijzen en vooral watervogels zoals eenden, maar zelfs aalscholvers en reigers werden gegeten.

Groenten werden in die tijd niet zo veel gegeten. Eigenlijk vond men dat maar minderwaardig voedsel voor arme mensen. De peulvruchten, zoals linzen, erwten en bonen hadden wel het voordeel dat ze gedroogd en bewaard konden worden. Kool, wortelen, uien en rapen werden ook gegeten. Om levensmiddelen te kunnen bewaren werden ze vaak gezouten, maar daardoor verloren ze wel veel vitaminen. Appels, peren, kersen en pruimen werden veel gekweekt en gegeten. Aardbeien, bramen, bosbessen, hazelnoten, paddestoelen en walnoten zocht men in het wild.

Brood was net als nu een heel belangrijk voedingsmiddel, vooral tarwe en roggebrood.
Wie niet veel geld had, at voornamelijk brood en kaas. De prijs van brood was
steeds.. Als het graan duurder werd, werd het brood gewoon wat kleiner. Anders
dan tegenwoordig waren de mensen helemaal afhankelijk van de seizoenen en wat
de oogst opleverde. Als de oogst mislukte had dat hongersnood tot gevolg.

Opdracht 12: Het dagelijkse eten:
Schrijf 10 etenswaren op die de mensen toen aten (of dronken) en die we ook
nu nog gebruiken.
Recepten?
Omdat maar weinig mensen konden lezen en schrijven bestonden er in de middeleeuwen nauwelijks kookboeken. Alleen in kloosters en aan de hoven van edelen werden recepten bewaard. De feestmaaltijden daar waren gigantisch. Enorme hoeveelheden voedsel werden opgediend. Vlees, wild, vis, fruit en gebak kwamen door elkaar op tafel waarna de volgende gang werd opgediend die niet veel anders was dan de vorige. Soms werd tussen de gangen een enorme pastei opgediend waaruit een compleet orkest tevoorschijn kwam om het feest op te vrolijken.

De mensen in de middeleeuwen aten heel onregelmatig. Alleen in de kloosters waar de monniken en nonnen een geregeld leven leiden werd twee maal per dag gegeten. Als er voedsel was werd er gegeten. Vaak weinig, soms heel veel.

Het eerste in het Nederlands geschreven kookboek: “Een notabel boecxken van cokeryen werd in 1510 in Brussel uitgegeven door Thomas van der Noot.
Hier volgt een recept voor sinterklaas en oudejaarsavond
gebak. Nodig:
vet om te frituren, beslag voor 8 grote ronde koeken: 400 gram bloem, 30 gram
gist, 250 cl. melk, 6 gram zout. Vulling: 2 ons gepelde walnoten en hazelnoten
door elkaar, 2 grote appels, 1 ons poedersuiker, kaneel en gemberpoeder naar
smaak.
Bereiding: Maak een beslag door de ingrediënten door elkaar te roeren en
laat het 1 uur bij de kachel rijzen. Snij de appels in stukjes, hak de noten
en meng ze door elkaar samen met de suiker en kruiden. Rol 1/8 van het beslag
uit tot een ronde plak van ½ cm dik en een middellijn van ca. 15 tot
20 cm. Schep er 1/8 van de vulling op. Sla de plak dubbel en druk de randen
vast. Bak de roffioel ongeveer 6 minuten in heet frituurvet.

Allemaal kennen we hutspot, een gerecht gemaakt van peen, ui, aardappels en klapstuk. Maar in de 16e eeuw kookte men dat in Dordrecht heel anders. Uit: “Eenen seer schonen ende exellenten Coc-Boeck”, een recept om eenen Keulschen hutspot te stoven. Nodig: 5 kg rundvlees zoals klapstuk, 1 rosbief, zout, 2 tot 3 uien, 2 tot 3 gemberwortels, 1 flinke tak gedroogde dille, 3 tot 4 foelie blaadjes, een handvol peperkorrels. Bereiden: Kook het vlees in ongeveer 10 liter water met zout. Schep het schuim eraf en stoof het vlees met de hele uien, de tak dille en de kruiden samengebonden in een doekje. Haal na twee uur de uien uit de pot en roer het gerecht goed door. Stoof het gerecht nog twee uur. Neem het vlees uit de pot en leg het in een schotel. Snij de gemberwortels in plakjes en strooi het samen met de peperkorrels en de foelie over het vlees. De schotel kan nu worden opgediend.

Waar komt de bijnaam voor Dordtenaren "schapenkoppen" eigenlijk vandaan? Op de site http://www.dordt.nl/ kunnen we de volgende legende lezen: De inwoners van bijna alle steden in Nederland hebben wel een scheldnaam. De Dordtenaren heten Schapenkoppen. De oorsprong van die naam is een aardig verhaal. Tot 1866 bestond er een accijns op het geslacht' dat wil zeggen dat er belasting werd geheven op de import van vlees en voor de slacht bestemde dieren. Belastingontduiken is niet alleen van deze tijd. Ook de twee Dordtenaren die in de Alblasserwaard een schaap hadden gekocht, voelden er weinig voor de stadskas te spekken. Maar goede raad was duur. Hoe konden de belastingambtenaren aan de Riedijkspoort om de tuin worden geleid? Het antwoord stond in de buurt van de Veerdam in Papendrecht: een aangeklede vogelverschrikker. Bijna was het plan gelukt.

Het schaap werd met de kleren van de vogelverschrikker aangekleed als een mens, compleet met broek, jas en pet. Bij de Riedijkspoort namen de twee mannen het dier tussen hen in, en hielden het aan de voorpoten vast. In de avondschemering leek het net alsof er drie mannen de poort kwamen binnenwandelen. De middelste was weliswaar wat onvast ter been, maar dat was in die tijd niet ongebruikelijk. Natuurlijk hadden de 'drie' mannen niets aan te geven bij de poort en ze konden doorlopen. Maar net toen het plan bijna geslaagd leek, liet het schaap een langgerekt, klagelijk bèèèèèè horen. Er zat niets anders op dat de vermaledijde belasting te betalen. Maar sinds die tijd heten Dordtenaren Schapenkoppen. Meer verhalen en legendes uit en over Dordrecht op deze site!

Een aantal belangrijke websites over Dordrecht zijn:
1) De
website van L.C.Geerts. (Geweldig!)
2) De
welkomstsite van Dordrecht. (Een must!)
3) Het
geheim van Holland. (Een flashpresentatie)
4) Foto's
uit de oude stad Dordrecht. (Erg mooi)